Neonicotinoiden

Wat zijn Neonicotinoiden:

Neonicotinoïden zijn een recent ontwikkelde groep van pesticiden, die voor het eerst in de vroege jaren ‘90 gebruikt werden. Vandaag zijn het wereldwijd één van de meest gebruikte pesticiden. Ze maken 24% uit van de wereldmarkt voor insecticiden.
De voornaamste toepassingen in Europa zijn bladsproeistof, zaadcoating, irrigatietechnieken en bodemontsmetting. Ook in België worden deze systemische pesticiden gebruikt.
Het is een zeer krachtig en lang werkend zenuwgif, dat de overdracht van zenuwimpulsen naar het centraal zenuwstelsel van insecten blokkeert. De pesticiden worden opgenomen door de plant en worden via de sapstromen verspreid in het volledige plantenweefsel.
Hierdoor is de plant van binnenuit beschermd tegen vraat. Wanneer een insect aan een
behandelde plant zuigt of bijt veroorzaakt dit een overgevoeligheid van de zenuwen die
uiteindelijk kan leiden tot verlamming en de dood door verhongering of uitdroging.

Gevolgen van neonicontinoïden voor de overleving van bijen
Neonicotinoïden worden voornamelijk gebruikt om planten te beschermen tegen vraat door bladluizen en witte vliegen. Maar ook andere insecten zoals bijen worden er aan
blootgesteld. Eén maïskorrel die gecoat werd met Neonicotinoïden bevat een dosis die
200.000 keer zo hoog is dan de dosis nodig om 1 honingbij te doden (Krupke, 2011). Eens
het zaad ontkiemt, verspreidt de actieve stof zich door de rest van de plant en wordt zo
verdund.
Maar ook bij zeer lage dosissen zijn er negatieve effecten op de bijensterfte. Dit zijn de
zogenaamde sublethale effecten. Een foeragerende bij zal bij blootstelling aan lage
concentraties Neonicotinoïden meestal niet onmiddellijk sterven, maar door de herhaaldelijke opname van zeer kleine hoeveelheden van deze gevaarlijke stoffen, verzwakken de bijen. Ze raken gedesoriënteerd en vinden de weg naar hun kolonie niet terug, uiteindelijk sterven ze aan de gevolgen van uitdroging en ondervoeding.

Manieren van blootstelling aan Neonicotinoïden
Bijen kunnen op verschillende manieren blootgesteld worden aan deze systemische
pesticiden. De voornaamste zijn:
Guttatie: een plant gaat als het ware ‘zweten’ en kleine vochtdruppeltjes produceren via de bladeren. Bij met Imidacloprid, Thiamethoxam en Clothianidin behandelde planten kunnen hoge concentraties van de actieve stoffen vrijkomen. In een veldexperiment met behandelde maïsplanten bleek dat bijen die van deze druppels drinken binnen enkele minuten stierven.
Ook EFSA (European Food Safety Authority) erkent dat guttatie bij maïs een hoog risico inhoudt voor honingbijen.
Nectar en Stuifmeel: bij behandelde zaden worden de actieve stoffen via de kiemplant in
alle delen van de plant opgenomen, inclusief stengel, bladeren en bloemonderdelen. Bijen
die nectar of stuifmeel van dergelijke planten verzamelen krijgen via deze weg
Neonicotinoïden binnen. Een foeragerende bij zal bij blootstelling aan lage concentraties
Neonicotinoïden meestal niet onmiddellijk sterven, maar door herhaaldelijk contact met deze pesticiden verzwakt ze en zal ze uiteindelijk aan uitdroging en ondervoeding sterven.
Uitloging naar bodem en oppervlaktewater: bij zaadcoating wordt slechts een klein deel
van de actieve stof opgenomen door de plant. De rest lekt naar de bodem, het
oppervlaktewater of het grondwater. Ook via sproeidrift kunnen de bodem en het oppervlaktewater vervuild worden. Door de lange halveringswaarde van deze pesticiden blijven ze lang nawerken en kunnen op die manier de bodem- en waterbiodiversiteit ernstige schade berokkenen. Uit onderzoek van Krupke et al bleek dat onbehandelde wilde planten in de buurt van behandelde akkers hoge concentraties van Neonicotinoïden bevatten.
Stofdrift: wanneer behandelde zaden met een pneumatische zaaimachines de bodem
ingeschoten worden kunnen er stukjes zaad opspringen. Ook op die manier kunnen
Neonicotinoïden in de omgeving verspreid worden.

Wilt u meer lezen over neonicotinoiden en de invloed op o.a. bijen. Lees dan dit rapport van Natuurpunt